De Nederlandse Sporteconomie

 

De sporteconomie is gedefinieerd als het sporten zelf, de goederen en diensten nodig om te kunnen sporten (bijvoorbeeld sportkleding) en datgene wat voortvloeit uit het bestaan van het fenomeen sport (bijvoorbeeld sportuitzendingen op televisie). De sporteconomie is 1% van de totale economie, ter vergelijking: de toeristische sector bedraagt 3,5% bij aan de totale economie (bbp). Sporteconomie in periode 2006 -2012 nagenoeg net zo snel gegroeid als totale Nederlandse economie.

 

 

 

Werkgelegenheid & vrijwilligers

Werkgelegenheid in sport bestaat uit 90 duizend voltijdsbanen. Meer dan in andere bedrijfstakken wordt in de sport gebruik gemaakt van vrijwilligers. De arbeidsinzet van vrijwilligers wordt echter niet tot de werkgelegenheid gerekend en dus ook niet tot de werkgelegenheid in de sport. In 2012 maakt 82% van sportverenigingen gebruik van vrijwilligers met een arbeidsinzet van 2,2 miljoen uur. Dit komt overeen met 56 duizend voltijdsbanen en is meer dan helft van betaalde arbeidsinzet van 90 duizend voltijdsbanen.

In 2014 heeft ongeveer de helft van de bevolking van vijftien jaar en ouder zich minstens één keer per jaar ingezet als vrijwilliger voor een organisatie of vereniging. Ze besteden daar gemiddeld vier uur per week aan. Er zijn evenveel vrouwen als mannen actief als vrijwilliger. Wel verschillen de activiteiten die ze doen. Vrouwen zijn vaker actief op de school van hun kinderen, mannen helpen vaker op de sportvereniging. Het aandeel vrijwilligers onder hoogopgeleiden (universitair geschoolden), is met 62 procent twee keer zo groot dan het aandeel vrijwilligers onder laaggeschoolden (31 procent).

Hoeveel tijd vrijwilligers per week besteden aan vrijwilligerswerk – gemiddeld vier uur – is de afgelopen jaren vrijwel niet veranderd. Ook het aandeel dat in een periode van vier weken vrijwilligerswerk heeft gedaan (dertig procent), is niet veranderd. Wel is het aandeel vrijwilligers in 2014 licht gedaald ten opzichte van 2012; van 50 naar 48 procent.

 

Uitgaven

De uitgaven van huishoudens aan sportgoederen en -diensten vormen de belangrijkste bestedingscategorie binnen de sporteconomie; in 2012 komt 61% van alle uitgaven binnen de sporteconomie voor rekening van huishoudens. Deze geven per jaar gemiddeld  €421,- uit aan sport- en fitnessdiensten en gemiddeld €245,- aan sportbenodigdheden.

 

Rondom evenementen en sportactiviteiten worden ook uitgaven gedaan, dit is ook wel de economische impact van een sportevenement. In 2012 werd in Nederland 1,4 miljard uitgegeven aan eten, drinken en accommodaties tijdens sportactiviteiten of bezoek aan een sportevenementen.

 

 

Aandeel bedrijfstakken

Binnen de sporteconomie is onderwijs met 25% de grootste bedrijfstak, dit komt vooral door het aantal uren bewegingsonderwijs dat op scholen wordt gegeven. Ook de handel en horeca leveren een belangrijke bijdrage aan de sporteconomie. De horeca verdient geld aan bijvoorbeeld sportevenementen.

 

Bron:

Centraal Bureau voor de Statistiek, 2015.